Blog

Landelijke overleg kwaliteitszorg microcredentials

Het is nog niet zo heel lang geleden dat de term ‘microcredential’ alleen bij een selecte groep van ingewijden bekend was. Inmiddels hebben de ontwikkelingen rond microcredentials zo’n hoge vlucht genomen dat maar liefst 32 instellingen - 10 universiteiten en 22 hogescholen - deelnemen aan de landelijke Pilot Microcredentials.

Over de exacte definitie van microcredentials wordt internationaal nog steeds druk gediscussieerd. In haar eind vorig jaar verschenen Unesco-rapport A conversation starter: Towards a common definition of micro-credentials stelt Beverley Oliver vast dat het gebrek aan een algemeen gedeelde definitie een hardnekkig obstakel vormt voor de acceptatie en erkenning van microcredentials.

De Pilot Microcredentials laat zich door deze horde niet ervan weerhouden om stevig door te pakken. Dat is ook hard nodig, want microcredentials spelen een cruciale rol in de flexibilisering van het hoger onderwijs en het aanjagen van leven lang ontwikkelen. Het Versnellingsplan heet niet voor niets zo: de ontwikkelingen volgen elkaar in hoog tempo op. Dat levert veel tastbare resultaten op, maar roept ook nieuwe vragen op, bijvoorbeeld over de kwaliteitszorg rond microcredentials.

De pilot valt onder regie van de zone Flexibilisering van het onderwijs en de koepels Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UvN). Op 17 januari werd in het kader van de Pilot Microcredentials een landelijk online overleg georganiseerd over dit onderwerp. In het panel van experts werd Hobéon vertegenwoordigd door Odin Dekkers. Allereerst kwam de vraag aan de orde in hoeverre er verschillen bestaan tussen - enerzijds - de kwaliteitszorg van geaccrediteerd onderwijs, en - anderzijds - van microcredentials als kortere modules die niet binnen de reguliere accreditatie vallen, maar wel 'accreditatiewaardig' moeten zijn. Er werd o.a. geconstateerd dat de verschuiving van aanbodgerichtheid naar vraaggerichtheid ook consequenties heeft voor de manier waarop de kwaliteitszorg moet worden ingericht.

Het tweede deel van de discussie richtte zich op de praktische vraag welke mogelijkheden er zijn om ervoor te zorgen dat de interne kwaliteitszorg inderdaad kan garanderen dat het aanbod van microcredentials in kwaliteit niet onderdoet voor geaccrediteerd onderwijsaanbod. Een systeem van onderlinge peer reviews zou een optie kunnen zijn, op voorwaarde dat het voldoende licht en flexibel blijft.

Het overleg leverde, naast veel nieuwe gezichtspunten, ook weer nieuwe vragen op over de inrichting en borging van kwaliteitszorg rond microcredentials. Ook in de toekomst praat Hobéon hier graag over mee, en nodigt instellingen dan ook uit in gesprek te gaan met Willem van Raaijen of met Odin Dekkers.