De Wet Versterking bestuurskracht en de aangescherpte rol van opleidingscommissies in kwaliteitszorg

Pieter Huisman

2 jaar geleden

Opleidingscommissie van adviseur tot medebeslisser over opleidingskwaliteit

De huidige WHW geeft de opleidingscommissie een aantal specifieke bevoegdheden zoals het advies uitbrengen over de onderwijs- en examenregeling (OER), het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoering, en in brede zin het ‘uit eigen beweging’ advies uitbrengen aan het bestuur van de opleiding over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs. In een onderzoek uit 2010 van de Inspectie bleek dat opleidingscommissies zelf als belangrijkste taak zien het advies geven over de kwaliteit van de opleiding, en daarmee samenhangend  klachten, curriculum-wijzigingen, onderwijs- en docentevaluaties en de communicatie binnen de opleiding. Opleidingscommissies zijn daarmee een belangrijke actor in het monitoren van de kwaliteit binnen de opleiding, in de positie om het management te adviseren bij geconstateerde knelpunten.

De recent door de Tweede Kamer aangenomen Wet Versterking Bestuurskracht zorgt voor een aanmerkelijke versteviging van de positie van de opleidingscommissie. Mede door amendementen van de Kamer wordt de opleidingscommissie naast adviesorgaan, nu ook gekwalificeerd als medezeggenschapsorgaan. Zij krijgt instemmingsrecht op onderdelen in het OER, waar zij nu alleen adviesrecht over hebben. Een voorbeeld is het onderdeel van de OER dat de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden weergeeft, die een student bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven (artikel 7.13 lid 2 onder c WHW). Daarmee krijgt de opleidingscommissie een belangrijke stem in de vormgeving van de opleiding.

Rol opleidingscommissie bij monitoring en accreditatie opleiding

Ook ziet de minister een belangrijkere rol weggelegd voor de opleidingscommissie, bijvoorbeeld bij de evaluatie van de opleiding (zie de nota naar aanleiding van het verslag bij Versterking Bestuurskracht).

De minister heeft de verwachting dat opleidingscommissies deskundig, onafhankelijk en op een professionele manier het gesprek aangaan met de leiding over onderwijskwaliteit. “De opleidingscommissie is het orgaan dat dicht op het onderwijs zit en kan daarom als geen ander adviseren over de kwaliteit van een opleiding”, zo stelt de minister. Om hun taken goed te kunnen uitvoeren, krijgen de opleidingscommissies recht op informatie en het recht op initiatief.

De verstevigde rol komt ook tot uitdrukking in de voorstellen rondom het accreditatiestelsel waarbij de opleidingscommissies de uitkomsten van opleidingsevaluaties bespreken en de studenten een eigenstandig  hoofdstuk schrijven voor de kritische reflectie (brief van 1 juni 2015, TK 31 288, 471).

Volgens de eerder geschetste plannen van de minister over de verbeteringen in het accreditatieproces (brief van september 2014) zou de opleiding  voortaan verplicht zijn de kritische zelfreflectie en een eventueel herstelplan aan de opleidingscommissie voor te leggen. “Aangezien de studenten en docenten in de opleidingscommissie direct zicht hebben op de evaluatieresultaten en de leden van de opleidingscommissie altijd spreken met de visitatiecommissie, is op deze manier ook geborgd dat de didactische kwaliteit van docenten en de wijze waarop in de praktijk onderwijs wordt gegeven, voldoende aan de orde zijn tijdens de visitatie”, zo stelde zij. Op welke wijze de opleidingscommissie straks betrokken wordt in de accreditatieprocedure, zal afhangen van het nader in te dienen wetsvoorstel.

Het vergroten van de rol van de opleidingscommissie in de monitoring van kwaliteit en het accreditatieproces betekent in ieder geval dat instellingen (nog) meer zullen moeten investeren in de facilitering en professionalisering van de opleidingscommissies. Een slecht functionerende opleidingscommissie kan in de toekomst mogelijk een risico zijn bij de accreditatie van de opleiding. Leden van commissies, docenten en studenten, zullen een gevalideerde kijk op de kwaliteit van de opleiding moeten hebben, om hun evaluatieverantwoordelijkheid en instemmingsrecht waar te maken.

Nader onderzoek naar feitelijk functioneren

Omdat de regering een breder beeld wil hebben van de manier waarop de taak van de opleidingscommissies in de huidige praktijk wordt vormgegeven, doet de Inspectie van het Onderwijs in 2016 opnieuw onderzoek naar het functioneren van opleidingscommissies. In het eerder genoemde onderzoek van de Inspectie uit 2010 bleek dat opleidingscommissies redelijk goed functioneren,  maar dat tegelijk ook verbeteringen mogelijk waren in de sfeer van betere taakafbakening, scholing en terugkoppeling van adviezen. Adviezen en besluiten van de opleidingscommissie zullen zichtbaar moeten worden in de cyclus van kwaliteitsverbetering; welke impact heeft een advies gehad, welke acties zijn door wie ondernomen?

Nadat de examencommissie de afgelopen jaren een nadrukkelijkere rol heeft gekregen in de borging van de toetsing en examinering, wordt daar nu de verstevigde taak van de opleidingscommissie ten aanzien van de (interne)kwaliteitsborging en een oordeel over de opleiding naast gezet. Net zoals veel opleidingen een slag hebben gemaakt in de verdere versterking van de examencommissies, zal dit nu ook gaan gelden voor de opleidingscommissies. Dit betekent dat opleidingsmanagement en opleidingscommissie zich gezamenlijk moeten bezinnen over een plan van aanpak over de  veranderende positionering en (verdere) professionalisering.

Vragen of opmerkingen?

Heeft u behoefte aan een nul-meting over het functioneren of positionering van de opleidingscommissie in uw opleiding of instelling? Of wilt u meer weten over onze dienstverlening met betrekking tot scholing en advisering voor opleidingscommissies in relatie tot de totale kwaliteitsborging binnen de opleiding? Neemt u dan contact op met mr. F.A.M. (Frank) Hendriks of met prof. mr. P.W.A. (Pieter) Huisman, beiden senior adviseur, via (070) 30 66 800 of mail met f.hendriks@hobeon.nl of p.huisman@hobeon.nl.

Bekijk alle blogberichten