Certificeren van schoolleiders PO - Effectmeting in de praktijk

Rob van der Made

1 jaar geleden

Leren in de praktijk

Schoolleidersopleidingen zijn doorgaans een- of tweejarige deeltijdprogramma’s. De meeste studenten werken al als schoolleider. In een aantal schoolleidersopleidingen stromen ook kandidaten (bijv. interne begeleider, teamleider, fase coördinator) in die geen schoolleider zijn, maar dit wel willen worden. Panels gaan dan na of in dat geval voorzien is in een relevante werkomgeving waarin opdrachten kunnen worden uitgevoerd. Anders zwemt de kandidaat slechts droog in de theorie en kan dan nauwelijks eigen praktijkinzichten inbrengen in groepsdiscussies of intervisiegesprekken.

Opvattingen hierover van auditoren lopen uiteen, maar er is wel een zekere consensus over de opleiding vakbekwaam: die rendeert pas indien studenten ook schoolleider zijn, het geleerde in de eigen praktijk kunnen toepassen, de effecten van hun gedrag kunnen waarnemen en beoordelen, ervaringen kunnen uitwisselen met collega-studenten en vervolgens nieuw gedrag kunnen uitproberen.

Dat ligt genuanceerder bij basisbekwaam. In de praktijk komt het voor dat zij-instromers met minimaal een hbo-bachelor en belangstelling voor het schoolleiderschap hierin zonder werkplek instromen. Voorwaarde is dan wel een ‘stageplaats’ waarin zij praktijkopdrachten kunnen uitvoeren en, naast – en met behulp van – de zittende schoolleider, schoolleiderlijk gedrag kunnen oefenen.

Schoolleidersopleidingen hebben ook instroom van studenten die niet uit de onderwijsbiotoop komen. Zij-instromers, zo blijkt ook uit auditgesprekken, kunnen zorgen voor de frisse externe blik, maar de opleiding dient met de gemengde instroom wel rekening te houden bij de inrichting van het programma. Sommige opleidingen lossen dit op door – in een soort van inleidend programma – specifiek op niet-schoolleiders toegesneden ‘bijspijkermodulen’ aan te bieden.

Waar bij een opleiding basisbekwaam sprake is van een gemengde instroom, willen panels weten hoe dit doorwerkt bij de inrichting van het curriculum.

Geschikte werkplek

Hoe het ook zij, het werkplekleren is een belangrijk kenmerk van iedere schoolleidersopleiding. Dit impliceert dat opleidingen actief zorg moeten dragen voor de kwaliteitsborging van die werkplek. Een van de instrumenten daarbij kan zijn een tripartite-overeenkomst waarin de opleiding expliciete eisen aan de werkplek en de begeleiding op de werkplek formuleert. De opleiding zal zich daarnaast ook zelf op de hoogte moeten stellen van de kwaliteit van de werkplek, bijvoorbeeld doordat docenten hun studenten op de werkplek bezoeken of op een andere wijze – bijvoorbeeld via videomateriaal – een realistisch beeld krijgen van de omgeving waarin de student-schoolleider zijn opdrachten moet uitvoeren. Met het oog hierop onderzoeken auditpanels of opleidingen feitelijk zicht hebben op de kwaliteit van de werkplekken.

Performance- en effectmetingen

De vraag waarvoor iedere competentiegerichte opleiding, dus ook schoolleidersopleidingen, zich gesteld weet, is: hoe stellen wij vast of een student een bepaalde competentie of een bepaalde combinatie van competenties heeft verworven? Het antwoord kennen opleidingen: men moet de performance van een student meten. Maar hoe dit vervolgens in de praktijk moet worden gebracht, is voor veel schoolopleidingen nog een zoektocht.

Tijdens hun opleiding bouwen studenten vaak een portfolio op bestaande uit voor de eigen school betekenisvolle praktijkopdrachten. De uitwerking van de praktijkopdracht en de reflectie zijn vervolgens het object van beoordeling door de opleiding.

Ook worden (tussentijdse) assessments afgenomen, waarin studenten aan de hand van een praktijkcasus (vaak ontleend aan de eigen werkplek) aantonen een competentie of cluster van competenties te beheersen. Dit vraagt van de opleiding een set praktijkopdrachten/casus die de student in de gelegenheid stelt de vereiste vijf basiscompetenties (verder) te ontwikkelen en de beheersing ervan te demonstreren.[1]

In het ideale geval wordt de kwaliteit van de schoolleider in spe zichtbaar in zijn performance (in de praktijkopdracht) en, vooral, in de effecten van zijn performance. Met andere woorden, effectmetingen zijn belangrijk om een totaal beeld te krijgen van de kwaliteit van een leidinggevende. De effecten zijn vooral terug te vinden in concrete opbrengsten uit projecten en waarneembare cultuurveranderingen. Geen eenvoudige zaak.

Zonder eraan voorbij te gaan dat het handelen van de leidinggevende niet altijd op de korte termijn al een effect sorteert, is het denkbaar om aan het einde van de opleiding de performancemeting af te zetten tegen de uitkomsten van een beperkte evaluatie/enquête onder betrokkenen. Zo’n effectmeting krijgt natuurlijk pas echt betekenis als bij dezelfde betrokkenen aan het begin van de opleiding al een nulmeting heeft plaatsgevonden.

Ook kijken panels als het om effectmeting gaat of studenten hiervoor in hun afstudeeronderzoek – gericht op verbetering van de eigen school – aandacht hebben, bijvoorbeeld doordat zij in hun onderzoeksopzet en –planning een dergelijke effectmeting opnemen.

Dienstverlening Hobéon

Heeft u naar aanleiding van deze bijdrage vragen? Of bent u geïnteresseerd in de vraag wat Hobéon op dit vlak voor u of uw instelling kan betekenen? Neem dan contact op met Ruud van der Herberg of Rob van der Made via (070) 30 66 800 of mail naar r.vanderherberg@hobeon.nl  of r.vandermade@hobeon.nl.



[1] Dit betekent dus dat assessments in een schoolleidersopleiding een vergelijkbare opzet dienen te hebben als de schoolleidersassessments die assessmentbureaus afnemen (zie weblog ‘Valide schoolleidersassessments’).

Bekijk alle blogberichten