Beoordeling hbo-niveau ter discussie?

Ruud van der Herberg

7 jaar geleden

Het is in ieders belang, dat de waarde van een hbo- of wo-diploma niet ter discussie staat. Maatschappelijk vertrouwen in afgestudeerde hbo’ers en academici staat voorop. De afgestudeerden zelf, de werkgevers én de overheid (samenleving) die veel geld uitgeven om het hoger onderwijs als maatschappelijk goed te financieren eisen dit. Alle elementen in het stelsel van kwaliteitszorg en toezicht die het bereiken hiervan in de weg staan, moeten verbeterd worden. In een serie bijdragen op dit weblog hopen wij een genuanceerde bijdrage te leveren aan het debat.

In deze bijdrage gaan wij nader in op het rapport van de commissie Dunnewijk. Deze door de NVAO ingestelde commissie heeft vanaf november 2010 tot april 2011 onderzoek verricht naar de (eind)werken van studenten van Hogeschool Inholland binnen de alternatieve afstudeertrajecten en/of reguliere trajecten van de opleidingen Commerciële Economie locatie Diemen (CE), Bedrijfseconomie locatie Haarlem (BE), Media & Entertainment Management locaties Haarlem en Rotterdam (MEM) en Vrijetijdsmanagement locatie Diemen (VTM). Het rapport van de commissie bevat een aantal  waardevolle aanbevelingen die ook in een breder verband voor het hoger onderwijs relevant zijn.  De bevindingen van de commissie roepen ook vragen op. Alle door de commissie beoordeelde opleidingen zijn immers door de NVAO geaccrediteerd. Hoe kunnen geaccrediteerde opleidingen toch slecht scoren in het onderzoek?

Conclusie van de commissie

Conclusie van de commissie is dat (eind)werken binnen de alternatieve afstudeertrajecten van deze opleidingen gemiddeld genomen van onvoldoende niveau zijn. De beoordeelde (eind)werken van de beoordeelde reguliere opleidingen van Hogeschool Inholland zijn daarentegen gemiddeld genomen van voldoende tot goede hbo-kwaliteit. Dit neemt niet weg dat het aantal onvoldoendes per opleiding in alle reguliere opleidingen hoog is, variërend van 4 tot 8 onvoldoendes op een totaal van 25 respectievelijk 34 beoordeelde (eind)werken. Alleen de MEM-opleiding in Rotterdam onderscheidt zich positief, aldus de commissie. Opmerkelijk is ons inziens dat de commissie aangeeft dat in (eind)werken van goede studenten de opleiding te streng heeft geoordeeld, terwijl (eind)werken van ‘zwakke’ studenten juist te soepel zijn beoordeeld. De hogeschool heeft derhalve de lat zowel te laag als te hoog gelegd.

De commissie doet verder een aantal waardevolle aanbevelingen. Bijvoorbeeld:

  • Het helder en eenvoudig beschrijven van regels en procedures rondom de afstudeervereisten, zodat de toepassing ervan leidt tot het gewenste onderwijsproces.
  • Geen grote variatie aan te brengen in de wijze van afstuderen. Elke vorm van afstuderen moet goed verankerd zijn in het toetsbeleid en vereist de bijhorende beoordelingsdeskundigheid van docenten en passende condities. Bij een grote variatie is de kans groot dat de opleiding het afstuderen niet goed kan borgen.
  • Bij groei of krimp van de opleiding als eerste oog te hebben voor de gevolgen voor de kwaliteit. Bij snelle groei van opleidingen is een fixus (een beperking van het aantal instromende studenten) een aangewezen instrument.
  • Meer aandacht besteden aan de ontwikkeling van de professionaliteit van de docenten en het management bij het invullen van hun onderscheiden rollen.

De aanbevelingen van de commissie zijn in de media niet of nauwelijks naar voren gekomen. Dat is gelet op de waarde ervan zeer spijtig. De conclusies van de commissie t.a.v de beoordeelde eindwerken hebben wel op veel aandacht mogen rekenen in de media. Helaas moet daarbij worden geconstateerd dat deze berichtgeving zelden genuanceerd is geweest. Het onderzoek had betrekking op slechts vier door de hogeschool aangeboden opleidingen. Van deze opleidingen zijn bovendien slechts enkele locaties onderzocht. Toch is niet zelden in de media geconcludeerd dat de gehele Hogeschool Inholland of zelfs het gehele hbo kwalitatief ondermaats is. Daarmee wordt ons inziens geen recht gedaan aan de vele studenten en docenten van de hogeschool die werkzaam zijn bij of studeren aan opleidingen waar de kwaliteit niet ter discussie staat.

Verschil met reeds beoordeelde opleidingen

Terug nu naar de beoordeling van eindwerkstukken door de commissie Dunnewijk. De vraag die het rapport van de commissie oproept is hoe geaccrediteerde opleidingen toch slecht kunnen scoren in het onderzoek?

Een eerste verklaring is eenvoudig. De commissie had een andere focus. Haar aandacht lag expliciet en exclusief op de toetsing en de eindwerkstukken. De commissie hanteerde bovendien een eigen beoordelingskader dat afwijkt van de wijze waarop in het verleden beoordelingen hebben plaatsgevonden. Met dit beoordelingskader zijn bovendien andere eindwerkstukken beoordeeld dan door de inhoudsdeskundigen ten tijde van de accreditatie (2005-2007).  Een dieper liggende oorzaak zou bovendien het ontbreken van een reële herstelperiode in het oude accreditatiestelsel kunnen zijn geweest. In eerdere bijdragen op dit weblog zijn wij hierop reeds ingegaan.

De verschillen in uitkomsten tussen de commissie Dunnewijk en de panels die de opleidingen in het kader van accreditatie hebben beoordeeld zullen ongetwijfeld ter sprake komen in de behandeling van de rapporten in de Tweede Kamer. Ons inziens biedt de begeleidende brief die de NVAO heeft gezonden bij het aanbieden van het rapport van de commissie een op hoofdlijnen adequate analyse en schetst het bovendien dat het nieuwe accreditatiestelsel op enkele onderdelen reeds aanscherpingen tot gevolg heeft.

Voor een debat over de bewaking van het eindniveau in het hoger onderwijs markeren wij graag nog twee aanvullende aandachtspunten.

Wat is (eind)werk?

De reeds aangehaalde commissie beoordeelde eindwerken van opleidingen. Maar wat zijn dat eigenlijk? En geeft beoordeling van eindwerken wel zicht op het gerealiseerde niveau van een opleiding?

Wij wijzen erop dat een ‘scriptie’, ‘afstudeerwerkstuk’ of ‘eindwerkstuk’ niet altijd indicatief is voor het gerealiseerde niveau binnen het hoger beroepsonderwijs. Ten onrechte wordt in sommige gevallen veel waarde gehecht aan een ’scriptie’  als eindproduct binnen het hoger beroepsonderwijs. Bij het beoordelen van afstudeerwerk is altijd van belang te weten welk gewicht een afstudeerwerk inneemt binnen het afstudeerjaar in het bijzonder en de opleiding in het algemeen. Immers, in het beroepsonderwijs betekent afstuderen in de regel voldoen aan de eisen van het beroep, vertaald in competenties en neergelegd in portfolio’s. Hoe en op welke wijze dit is vormgegeven verschilt per opleiding, het één op één nemen van het schriftelijk afstudeerwerk/eindwerk als indicator voor het gerealiseerd niveau leidt derhalve tot vertekende resultaten.

Voorts past nog een andere nuance bij de fixatie op het scripties /eindwerkstukken in het hoger beroepsonderwijs. Het gerealiseerd niveau binnen een opleiding is een belangrijke indicator, maar niet de enige indicator voor de mate waarin instellingen ambities waarmaken. Instellingen zijn soms net appels en peren. Ze hebben zeer verschillende instromende doelgroepen, die allemaal bediend moeten worden. Ten onrechte is er weinig aandacht voor de waarde die instellingen gedurende een hoger onderwijstraject aan de kwaliteit van de instromende studenten toevoegen.

Wij hopen dat er op korte termijn een discussie op gang komt over de wijze waarop eindwerken in het hoger (beroeps)onderwijs worden beoordeeld en op welke wijze deze beoordeling wordt gehanteerd in het kader van interne en externe kwaliteitsborging

Beoordelingskader

Tijdens het onderzoek heeft de commissie Dunnewijk een beoordelingskader gehanteerd dat ook is opgenomen in het rapport . Uit de verslaggeving blijkt dat de breed samengestelde commissie uitgebreid en zorgvuldig de eindwerken vanuit verschillende perspectieven heeft bekeken.

De commissie is in termen van aantal werkstukken en inhoudelijke beoordeling veel verder gegaan dan tot nu toe tijdens visitaties gebruikelijk en voorgeschreven was.

Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft de NVAO reeds de instructies richting panels ten aanzien van beoordeling gerealiseerd niveau aangescherpt. De panels moeten op basis van een complete lijst van eindwerken een eigen selectie doen van minimaal 15 eindwerkstukken. In geval er sprake is van meerdere varianten (bijv. deeltijd of duaal) en/of meerdere locaties waar onderwijs wordt verzorgd, moet passend maatwerk worden gepleegd en onderbouwd door het panel.

Bij twijfel over het niveau van de eindwerkstukken, zeg bij 10 % ervan, dan moet het panel opschalen naar 25 eindwerken. Het is begrijpelijk dat de NVAO scherp opereert in het nieuwe accreditatiestelsel. Tegelijkertijd is het goed om een breed gedeelde opvatting te hebben over wat te beoordelen.

Wij hopen dat er tussen alle betrokken actoren een discussie op gang komt over (de wijze van) het beoordelen van het niveau van opleidingen in het hoger onderwijs. Wij pleiten er in ieder geval voor, dat tijdens de beoordeling van het eindniveau van elke opleiding verantwoord moet worden welke plaats een eindwerkstuk binnen het onderdeel ‘gerealiseerd niveau’ inneemt. Voorkomen moet worden dat panels zich blindstaren op schriftelijke verslagen terwijl deze vaak maar één onderdeel vormen van het gerealiseerde niveau. Een student kan ook afstuderen op een creatief of technisch product of op een voor de beroepspraktijk ontwikkeld instrument of methodiek. Het schriftelijk werkstuk krijgt dan een andere plaats in de eindbeoordeling.

Vragen?

Voor vragen over deze bijdrage en/of vragen over Hobéon in relatie tot accreditatie in het hoger onderwijs kunt u vanzelfsprekend contact met ons opnemen. Ruud van der Herberg, partner bij Hobéon, staat u graag te woord. U kunt Ruud bereiken via (070) 30 66 800 of via r.vdherberg@hobeon.nl.

Bekijk alle blogberichten