Aansprakelijkheid en inspanningsplicht van de instelling bij studievertraging

Pieter Huisman

3 jaar geleden

Recentelijk berichtte de media dat een student van de Universiteit van Amsterdam € 10.000,- schadevergoeding kreeg toegewezen vanwege opgelopen vertraging door een probleem bij de inschrijving voor de studie (zie uitspraak rechtbank). De zaak lijkt te passen in een trend, waarbij studenten de instelling aansprakelijk stellen voor het niet nakomen van de zorgplicht voor goed onderwijs. Er zijn inmiddels verschillende uitspraken van de burgerlijke rechter die een aanwijzing geven welke inspanningen de instelling moet leveren om vertraging te beperken.

Aansprakelijkheid bij moeilijk verlopen stages

Eerder zijn er de zaken geweest rond studenten waarbij de stage niet goed werd gevolgd door de instelling. Zo werd enkele jaren geleden bij een hogeschool (zie uitspraak rechtbank) door een student van de pabo schadevergoeding gevorderd.  De rechtbank oordeelde dat de hogeschool niet had gehandeld zoals van “een redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool mag worden verwacht” doordat  bij aanvang van de stage (een 'zorgstudent') onvoldoende  was toegezien dat hij die stage goed voorbereid zou beginnen en hem vervolgens te lang had laten 'doormodderen' zonder in te grijpen. Ook de examencommissie van de hogeschool had in deze zaak onrechtmatig gehandeld door zonder deugdelijke grondslag en motivering te beslissen dat de student geen nieuwe stage meer mocht beginnen. De student kreeg o.a.€  6.000,- toegewezen voor studievertraging.

Aansprakelijkheid bij vertraging in het onderwijsproces

In een uitspraak van het Hof in Den Haag ging het om een student aan een hogeschool die na een jaar de opleiding na een negatief bindend studieadvies had verlaten. Hij stelde de hogeschool aansprakelijk voor vertragingsschade. Hij vond dat de instelling onrechtmatig had gehandeld.
Het nalaten van de instelling bestond onder andere uit het niet adequaat reageren na een incident en de melding dat hij zich gediscrimineerd en bedreigd voelde. De student werd feitelijk uitgesloten van groepsopdrachten en daardoor de toegang tot een deel van de lessen ontzegd, zonder hem een deugdelijk alternatief te bieden. Voor een deel van de studiepunten was hij afhankelijk van de groepsgebonden lessen.
Het Hof komt in deze zaak tot het oordeel  dat er een onderwijsovereenkomst is tussen een student en een (privaatrechtelijke) onderwijsinstelling, die voor beide partijen rechten en verplichtingen meebrengt. “Tot de verplichtingen behoren met name de verplichting van de student tot het betalen van collegegeld, en de verplichting van de onderwijsinstelling tot het aanbieden van deugdelijk onderwijs. Een student mag van een onderwijsinstelling bovendien redelijkerwijs verwachten dat hij bij het volgen van onderwijs voldoende begeleiding krijgt, in die zin dat als er zich tijdens het studiejaar problemen voordoen waardoor de studievoortgang van de student in gevaar komt de onderwijsinstelling gehouden is om zich in te spannen om deze problemen tezamen met de student op te lossen ”, zo stelt het Hof. De instelling kon hier niet goed duidelijk maken waarom niet actief was gezocht naar alternatieven, en zelfs oplossingen aangedragen door de student door personen binnen de opleiding werden geblokkeerd. Het Hof vond dat de uitsluiting uit de groepsopdrachten ook van doorslaggevende invloed waren op zijn onvoldoende individuele resultaten. Alles overziende komt het Hof tot de conclusie dat de instelling schadevergoeding moet betalen voor onder andere het betaalde collegegeld, maar ook opgebouwde studieschuld en misgelopen inkomsten door studievertraging.

Juridische compliance als randvoorwaarde

De aangehaalde recente zaak bij de UvA is mogelijk exemplarisch voor een ontwikkeling waar ook het (hoger)onderwijs niet aan lijkt te ontkomen, namelijk toenemende mondigheid en juridisering. Nu studenten door de Wet studievoorschot nog meer de financiële verantwoordelijkheid gaan voelen bij vertraging, zullen zij mogelijk de oorzaken voor die vertraging, terecht of onterecht, bij de instelling gaan leggen.
De inspanningen vanuit de instelling kunnen niet alleen getoetst worden door het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs, maar ook (achteraf) door de civiele rechter. De bedragen kunnen aardig op gaan lopen wanneer de zgn. richtlijn studievertraging in letselschadezaken (die normaliter alleen van toepassing bij ongelukken die door derden worden veroorzaakt) door de rechter ook wordt toegepast bij schade door vertraging als gevolg van nalaten door de instelling. De recente uitspraak over de UvA geeft daar wel een aanwijzing voor.

Vertraging, met mogelijke financiële consequenties, kan wellicht vermeden worden als verantwoordelijkheden binnen de opleiding duidelijk zijn verdeeld en degenen ook weten welke route bewandeld moet worden, en wanneer het management moet interveniëren, om studenten met problemen snel en effectief weer op weg te helpen. Zoals blijkt is de instelling ook verantwoordelijkheid voor ondeugdelijke besluiten of vertraging door de examencommissie. Dit betekent dat verschillende actoren binnen de opleiding op elkaar aangesloten moeten zijn.

Vragen of opmerkingen?

Heeft u vragen over de juridische compliance van uw instelling met de WHW? Heeft u behoefte aan een actualiteitencursus?
Of wilt u meer weten over onze (juridische) dienstverlening met betrekking tot examencommissies? Neemt u dan contact op met Pieter Huisman, senior adviseur, via (070) 30 66 800 of mail met p.huisman@hobeon.nl

 

Bekijk alle blogberichten